Voor de schoonste

Ik stond bij de appels in de supermarkt en had al zo’n pakje van vier met een plasticje er omheen gepakt toen ik in een grote bak een jonagold zag liggen met een stickertje: ‘voor de slimste’. Als door een adder gebeten bleef ik staan, legde de vier chique appels terug en begon te graaien tussen de jonagolds. ‘Voor de stoerste’, stond er op de volgende appel die ik vond. Er was er nog een: ‘voor de liefste’. Het kon toch niet waar zijn dat iemand dit mooie plan had bedacht, gejat eigenlijk, en niet de oertekst had gebruikt. Gelukkig, daar was ie, ‘voor de mooiste’. Mijn hart maakte een sprongetje. De groenteman van de Zaanse grutter heeft de uitvinder van de twistappel nageaapt!

Hoe werkt dat: je legt een appel (liefst van goud) tussen drie dames (bij voorkeur godinnen) met een kaartje eraan ‘voor de schoonste’. Wordt slaande ruzie, kan je op wachten. Enter de knappe prins. De dames willen alle drie de mooiste zijn en heimelijk beloven ze omstebeurt de prins een bijzondere dienst. De eerste belooft wijsheid, de tweede macht en de prins zwicht voor de derde belofte ‘liefde van de begeerlijkste vrouw ter wereld’. De dame/godin houdt woord. De begeerlijkste vrouw wordt verliefd op onze prins, de corrupte scheidsrechter.

Er is één maar: de vrouw is al getrouwd en haar ex heeft machtige vrienden. Zo machtig dat ze een oorlog beginnen om de vrouw terug te halen. Dan volgt een ellenlang verhaal met strijd, stervende helden, oorlogsmisdaden en uiteindelijk een hol houten paard en een afgebrand Troje. En dat allemaal voor een appel met een kaartje ‘voor de schoonste’.

Ik wil die appel ook! Maar ik kan ’m vandaag gewoon kopen. En weet je wat, die andere twistappels neem ik ook. Eens opletten wie er thuis de slimste, de stoerste of de liefste wil zijn.

Thuis moeten ze lachen maar niemand rukt de appels uit mijn handen. Toegegeven, deze appels zijn niet van goud, en ik heb thuis niet drie dames maar drie heren. Die zijn zo stoer die hebben geen appel nodig om dat te bewijzen. En daar zit ik met mijn appels. Want ik houd eigenlijk niet zo van jonagolds.

Advertenties

Goed zo opa!

Vandaag 75 jaar geleden, aan het begin van de middag, vertrok mijn opa van zijn werk. Stakend personeel had de afdeling verlaten, er was niemand meer, hij besloot ook te gaan. Opa werkte bij het energiebedrijf van de gemeente en dit vertrek kwam hem duur te staan: op 30 april 1941 werd hij er om ontslagen.

Ik weet dat omdat opa al zijn brieven typte op een schrijfmachine, van alles bewaarde hij een doorslag, dat ging in een mapje, dat mapje verdween in de berging en die werd bij opa’s verhuizing naar een bejaardentehuis in de vorige eeuw leeggehaald door mijn tante. Zij paste er jaren op en onlangs verdeelde zij de mapjes over haar broers. En zo kreeg ik van mijn vader het mapje ‘Ontslagpapieren Pa’.

Dat opa had meegedaan wist ik. Geen communist, geen verzetsheld, doch een voorzichtig Nederlands Hervormd gemeenteambtenaar. Bij de stakingsgolf in 1983 zei hij kribbig: ‘Een ambtenaar dient niet te staken.’ Wat vond ik hem toen een zak.

Uit de getypte brieven in het mapje kan ik opmaken dat opa na 25 februari 1941 alles heeft gedaan om zijn aandeel in de staking zo klein mogelijk te maken: hij had niet gedemonstreerd en niemand aangezet tot staken. Dat vond ik dan weer een beetje jammer. Opa wat doe je nou! Opa wilde zijn werk terug, maar ondanks zijn beleefde brieven, is dat niet gelukt.

Onderin de map vind ik een handgeschreven briefje. Aantekeningen voor een toespraakje namens collega’s die ook gestaakt hebben. Het begint zó nederig, het schaamrood stijgt me naar de kaken. En dan de laatste zin: ‘Zij geven U derhalve te kennen dat het neerleggen van het werk uitsluitend was een uiting van misnoegen tegen de wijze waarop den laatsten tijd een deel van het Nederlandsche volk wordt behandeld – 26 Febr. 41.’

Ik hoop nu dat het niet bij aantekeningen is gebleven en dat opa het lef heeft gehad dit woord tot de Directie uit te spreken. Inmiddels ben ik zestien jaar ouder dan mijn opa was in 1941, wat is het lang geleden! Vanmiddag zal ik even aan hem denken. Geen held, maar wel meegedaan. Goed zo opa!

Olympische ruikers

De Olympische Spelen zijn alweer zo’n beetje voorbij en dankzij de regen van brons, zilver ende goud die over onze Nederlandse schaatsers is uitgestort, heb ik steeds weer gezien hoe de kampioenen als huldeblijk ook nog een tuiltje groen in de handen kregen geduwd. Het waren steeds zulke merkwaardige boeketjes dat ik me er van alles bij ging afvragen. Zoals: waar zet je zoiets neer als sporter tijdens een toernooi.

Ik stel me voor dat in het olympisch dorp op de olympische kamers de ruimte wordt ingenomen door twee bedden, grote sporttassen, heel veel rondslingerende sportkleren en de schaatspakken op een knaapje aan de deur. Op dat ene hoteltafeltje dat twee sporters moeten delen liggen telefoons, camera’s, oplaadsnoeren, wat losse roebels en de halskettingen met die grote deelnemerskaarten eraan die steeds ze om hun nek hebben hangen als ze op tv zijn.
Waar moeten ze dat struikje bloemen neerzetten? Dat past natuurlijk nooit. Is er eigenlijk door de Russen wel gezorgd voor een vaasje? En hoe moet het als beide schaatsers een medaille, dus een bosje bloemen hebben gewonnen, of, stel een atleet wint er vier?

De ruikers zien er zo vol groen blad uit, die vergaan pas als de olympische vlam allang gedoofd is, dus een boeket van eergisteren vervangen door eentje van vandaag is geen optie. Welk jong mens gaat trouwens voor z’n lol naar zo’n droef bloemsel zitten kijken? Het is meer iets voor een majesteit die met zoiets in de hand geklemd rondloopt tijdens een koninklijke visite. De meest praktische oplossing zag ik Ireen Wüst uitvoeren: zij gooide haar bloemenhulde met een opgewekte zwaai in het publiek. Het was eventjes alsof degene die het ding ving de volgende medaillewinnaar zou zijn.

Mispel

Een paar jaar geleden heb ik een mispel in de volkstuin gezet, een struikachtige boompje. Dat was toen eigenlijk alleen omdat ik benieuwd was naar de vrucht. Dat er prachtige witte bloemetjes aan zouden komen in de lente – want familie van de roos – wist ik helemaal niet. De afgelopen jaren zaten er wel hier en daar wat mispels aan in de herfst. Prachtige vrucht, een soort harige rozenbottel, maar omdat ik alleen de uitdrukking ‘zo rot als een mispel’ kende, wist ik niet zo goed wat er mee te doen.

Dit jaar was de oogst overweldigend. Het was zeker een kilo die ik eerst even invroor om nachtvorst na te bootsen (had ik ergens gelezen) en daarna trots op een schaal legde zodat iedereen zich er aan kon vergapen. Want wie heeft er nou ooit een mispel van dichtbij gezien? Na een week begon tot me door te dringen dat er wel iets met die fraaie mispels moest gebeuren, want sommige werden al iets minder mooi. Dus in het weekeinde ben ik dapper aan de slag gegaan met aanwijzingen die ik op internet gevonden had. Tot mijn verbazing ontstond uit de troebele drab die ik van de mispels gekookt had, een prachtige oranje naar amber neigende gelei. Nu kwam het goed uit dat ik het zo moeilijk vind om lege pesto-potjes weg te gooien, want daar kon mooi de gelei in – voor bij varkensvlees en kaas. Gisteren geprobeerd bij een braadworst: briljant, al zeg ik het zelf.

Dan zit ik nog wel met de vraag: wie heeft die arme mispel zo’n nare naam bezorgd? Het is een mooie vrucht om te zien en er was niks rottigs aan te zien of te ruiken, ook niet tijdens het koken. ‘Zo rot als een mispel’ betekent dus eigenlijk helemaal niks, dat is dan wel weer even wennen.

Luizenradar

Laat ik om te beginnen gewoon toegeven dat ik er ook ben ingetrapt. Toen mijn oudste kind voor het eerst hoofdluis had, heb ik het hele huis omgekeerd, beddengoed op 90 graden gewassen, knuffels in vuilniszakken op het dakterras gezet en ouders van vriendjes gebeld met de mededeling ‘pas op, hoofdluis’. Pas later ben ik me een beetje gaan verdiepen in de ernst van een hoofdluisbesmetting. Toegegeven, de jeuk is akelig en het voelt gewoon vies, hoofdluis. Maar laten we eerlijk zijn, afgezien van ongemak en schoonmaakwoede verspreidt de hoofdluis geen enge ziektes. En wie een beetje zoekt op internet, komt er achter dat al die poetsmaatregelen geen enkel effect hebben op de hoofdluis. Ze verspreiden zich namelijk via haar, niet via bankstellen, knuffels en zelfs niet via jassen. Ja een enkele misschien, maar die wordt al snel zo koud en hongerig bij gebrek aan hoofdhuid, daarvan is niet al te veel te vrezen.

Wat de hoofdluis waarschijnlijk wél reuze helpt is al dat gekam van vrijwillige luizenmoeders op scholen. Hoofd na hoofd wordt vaak met dezelfde kam gecontroleerd. Zo’n luis is maar ’n klein beestje en voor je ’t weet is ie meegelift naar een nieuwe haardos.

Nu is er een belangrijke anti-hoofdluisindustrie. Neem bijvoorbeeld de luizenkappen en -zakken gemaakt door slimme moeders die garen spinnen bij de luizenhysterie. Op veel basisscholen is zo’n zak een verplicht item. Terwijl het RIVM al twee jaar geleden het hoofdluisadvies heeft aangepast omdat nergens wetenschappelijk is aangetoond dat hoofdluizen vanuit de omgeving aanvallen op onze hoofden.

Het enige wat helpt tegen de luis is kammen en gif. En wat de gifindustrie betreft: adverteren. Door zo’n advertentie kwam ik achter het bestaan van de luizenradar. Iedereen die getroffen is door hoofdluis kan dat nu opgeven en dat wordt landelijk op een interactieve kaart verwerkt. Zo kan je direct zien of er op dit moment een grote concentratie van hoofdluisbesmettingen in jouw buurt is. Wat je verder aan die kennis hebt, is mij een raadsel: ramen en deuren sluiten, met een zak over je hoofd de straat op?

Maar één ding was opvallend: in Amsterdam is nauwelijks hoofdluis waargenomen. Op Ameland en Schiermonnikoog, daar moet je oppassen, het stikt er van de luizen!

Het dak is eraf

Gisteren stormde het in Amsterdam. Uit voorzorg de kinderen met de tram naar school gestuurd want ik zag het niet goed voor me, die jongens op hun fietsen tegen de storm in. Of misschien zag ik het juist te goed voor me. Zelf stapte ik wel op de fiets en ging voor het hoogtepunt van de storm uit. Ik zat de hele ochtend in een solide gebouw en hoorde het buiten loeien. Op mijn telefoon kwamen verontrustende berichten binnen en ik wreef me in mijn handen omdat ik zo verstandig was geweest met die tram en dat ik zo lekker binnen zat. Ik gokte er op dat de storm zou gaan liggen voor ik weg weg moest. En toen viel de stroom uit.

Ik keek glazig om me heen. En naar het batterij-icoontje van mijn laptop: nog 68% nou ja, ik kon nog even vooruit maar het was een rare gewaarwording. Binnen enkele seconden verschenen er mensen in oranje hesjes met BHV op hun rug. Die wilden mensen naar buiten sturen. Dat leek nog raarder. Buiten moest je nu even niet zijn, zoveel was duidelijk. Dat zagen de oranjes hesjes gelukkig ook in. Het duurde even tot het licht weer aan ging en toen was alles weer normaal. Er bleven verontrustende berichten van buiten naar binnen komen en nog een lastige voor mijn jongens: de trams reden niet meer.

Toen ik weer buiten kwam, was het een lichte mooie herfstdag en het woei stevig. Meer leek er niet aan de hand. Hoe dichter ik bij huis kwam echter, hoe meer bomen ik zag die met wortel en al uit de grond waren gerukt, andere waren geknakt als luciferhoutjes. De meeste waren al in stukken gezaagd terwijl ik veilig binnen had gezeten. En toen fietste ik langs de sportschool. Er hingen wat politielinten maar die waren los gewaaid, dus ik kon er makkelijk langs dacht ik. Tot ik het dak van de sportschool in een boom zag hangen. Dat was wel een gek gezicht. ’s Avonds werd ik gebeld door de bedrijfsleider: ‘Het dak is er af, morgenochtend geen pilates’.

Ik verwonderde me er over dat ik er al zo aan gewend ben dat het dak er doorgaans af gaat als het leuk is, terwijl het eigenlijk heel duidelijk is: als het dak er af is, is het foute boel.

Niet bezorgd, wel zorgelijk

Gisteren werd er aangebeld door een mevrouw die tegenover woont. Ze kwam het pakje halen dat bij mij was afgegeven. Inderdaad fungeer ik soms als onbezoldigd postagentschap en stapelen de dozen zich bij de voordeur op maar nu stond er niks. De overbuurvrouw keek onaangenaam verrast: ‘Dit is al de tweede keer dat u geen pakje voor me heeft’. Dat was waar, ik had haar al een keer eerder aan de deur gehad, vlak na de vakantie. Ik had toen nog alle kinderen ondervraagd over een pakje. Maar nu wist ik het uit mijn hoofd al zeker: geen pakje afgegeven. Een beetje boos liep ze terug naar haar voordeur om terug te komen met een briefje van post.nl waarop inderdaad mijn huisnummer stond ingevuld.

Daar sta je dan. Natuurlijk snapte ik wel dat niet ik, maar de bezorger fout was. Hij had een verkeerd huisnummer opgeschreven en het pakje op een willekeurig adres afgegeven, of het pakje misschien wel meegenomen naar zijn eigen huis. Ik had hier niks mee te maken. Maar toch voelde ik me ongemakkelijk over de kwestie. Ik wist eigenlijk niet zeker of deze overbuurvrouw me wel geloofde. Dat ze boos was, begreep ik wel, was ze ook een beetje boos op mij?

Ik betreur de teloorgang van de überbetrouwbare postbode. Vroeger moest je je pakje gewoon op het postkantoor afhalen als je niet thuis was. Toen verdween er ook wel eens wat maar daar hoefde je dan je buurvrouw niet op aan te kijken. Waar is de tijd gebleven dat op pagina 3 van een landelijk dagblad melding werd gemaakt van een postbode die een jaar lang de post niet bezorgd heeft. Zo’n Van Warmerdamachtig type háalt de krant niet eens meer.

Ik hoop maar dat de overbuurvrouw haar dreigement uitvoert en voortaan bij bestellingen vermeldt dat de zending niet ergens anders mag worden afgegeven. Want ik moet er niet aan denken dat ze voor de derde keer aan de deur komt voor een pakje dat ik niet heb. Ondertussen staan er al weer twee pakjes klaar – voor een andere buurvrouw.